Berekening verankering

De berekening volgens de NPR 6708 is vrij gecompliceerd. De benodigde gegevens voor een verankeringsberekening zijn:

  • Plaats/windgebied
  • Terreinruwheid categorieën
  • Type dakpan
  • Dakvorm
  • Dakhelling
  • Latafstand
  • Nokhoogte (href)
  • Goothoogte (h)
  • Gebouwdiepte (d1)
  • Gebouwbreedte (d2)
  • Rekenwaarde panhaak

Verderop ziet u hoe de gegevens worden gebruikt bij een verankeringsberekening. Zelf een verankeringsberekening maken kan heel makkelijk met onze 'dakverankeringstool'.

DAKVERANKERINGSTOOL

Verankering windgebieden

Windgebied

Nederland is opgedeeld in drie verschillende windgebieden. Voor windgebied I gelden de hoogste stuwdrukwaarden, vervolgens II en III.

 

Windgebied I

Markermeer, IJsselmeer, Waddenzee, Waddeneilanden en de provincie Noord-Holland ten noorden van de gemeenten Heemskerk, Uitgeest, Wormerland, Purmerend en Edam-Volendam.

 

Windgebied II

Het resterende deel van de provincie Noord-Holland, het vasteland van de provincies Groningen en Friesland en de provincies Flevoland, Zuid-Holland en Zeeland.

 

Windgebied III

Het resterende deel van Nederland, namelijk de provincies Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg.

Terreinruwheid categorieën

U kent de term ‘verankeren volgens een bebouwde of onbebouwde situatie’. Met de NEN-EN 1991-1-4 worden deze bebouwde of onbebouwde situatie ingedeeld onder terreinruwheidscategorieën, samen met een nieuwe categorie ‘kust’. De NEN-EN 1991-1-4 stelt dat er moet worden uitgegaan van een onbebouwde situatie, tenzij een bebouwde situatie is aangetoond door middel van de berekening van de NPR 6708. Voor een bouwwerk geldt terreincategorie 0 (categorie kust) als er aan de volgende vier voorwaarden is voldaan:

  • Het bouwwerk moet grenzen aan open water, waarbij het ‘open water’ een minimale strijklengte moet hebben van 2 km. De strijklengte is de ononderbroken afstand waarover de wind over het water kan waaien,
  • Voor tenminste de helft van de windrichtingen in de desbetreffende sector geldt dat de afstand van het bouwwerk tot open water minder is dan tienmaal de bouwwerkhoogte. Om dit te bepalen kan een halve sector onder een hoek van 45° uitgezet worden in de  desbetreffende sector, zie voorbeeldtekening,
  • Het bouwwerk moet een hoogte hebben die tenminste tweemaal de gemiddelde hoogte is van de gebouwen en andere obstakels die zich in de desbetreffende sector tussen het bouwwerk en het open water bevinden.
  • Het bouwwerk ligt niet in windgebied III.

Gebouwhoogte (href)

De referentiehoogte van het gebouw is de hoogte van de nok tot het maaiveld. Voor de berekening volgens de NPR geldt een maximumhoogte van 20 m.

Stuwdruk (Wd)

Om de juiste stuwdrukwaarde te kunnen bepalen moeten eerst het windgebied, de terreinruwheid categorie en de gebouwhoogte worden bepaald.

Afmetingen dakzones

De afmetingen van de dakzones worden berekend aan de hand van de afmetingen gebouwdiepte d1, gebouwbreedte d2 en de nokhoogte href. De minimale maat van een dakzone is 1 meter, maar afstand en positie kunnen sterk variëren. Per daktype worden de maten apart aangegeven.

Stuwdruk in de dakzones Wd (N/m2)

De dakzones zijn door hun positie gerelateerd aan de zwaarte van de windbelasting. Daardoor kan bijvoorbeeld een randzone zwaarder worden belast dan een middenzone en dus een zwaardere verankering nodig hebben. Per dakzone wordt de stuwdruk omgerekend met de dakzonefactor, die gerelateerd is aan de dakhelling.

Weerstand dakpannen Xd (N/m2)

De rekenwaarde voor de weerstand van de dakpannen tegen opwaaien (Xd) wordt bepaald door het gekozen type dakpan, de latafstand en de dakhelling. Onderstaand de gegevens van een dakpan die van belang zijn voor de bepaling van Xd:

  • Gewicht van een dakpan.
  • Totale lengte van een dakpan.
  • Hangende lengte van een dakpan.

Deze gegevens liggen vast in de Monier verankeringsberekening.

Verankering per dakzone

De uitkomst van een verankeringsberekening vertelt u of en hoe een dakzone verankerd moet worden. U moet hierbij altijd voldoen aan de formule Wd ≤ Xd. Hierbij komt het erop neer dat de neerwaartse kracht, dit is het gewicht van de dakpannen met of zonder verankering (Xd), groter moet zijn dan de zuigende of opwaartse kracht van de windzuiging (Wd). Klopt de formule Wd ≤ Xd na uitkomst niet, dan moet er verankerd worden. Hierbij wordt eerst gekeken of een dambordsgewijs verankering voldoet aan Wd ≤ Xd. Hierbij worden dezelfde waarden aangehouden, echter bij Xd wordt de weerstandwaarde opgeteld van een dambordsgewijze verankering. Deze waarde wordt berekend door de rekenwaarde van dakpanspecifieke panhaak in N te vermenigvuldigen met ½ van het aantal dakpannen per m2. Als deze waarde opgeteld voldoet aan Wd ≤ Xd, dan moet deze dakzone dambordsgewijze verankerd worden. Is Xd nog steeds kleiner dan Wd, dan moet worden berekend of een volledige verankering voldoet. Dit wordt op dezelfde wijze berekend, alleen voor de verankeringswaarde moet de rekenwaarde van de dakpanspecifieke panhaak in N vermenigvuldigd worden met het aantal dakpannen per m2. Wordt voldaan aan de vergelijking Wd ≤ Xd, dan is de uitkomst: volledige verankering, zo niet dan moet de dakzone volledig verankerd en geschroefd worden.

Verankeringswijze

De eenvoudigste wijze is: geen verankering. Bij deze uitkomst mag je ervan uitgaan dat de dakpannen op hun plaats blijven doordat het eigen gewicht groter is dan de berekende stuwdruk voor de betreffende dakzone. Een veelvoorkomende verankeringswijze is dambordsgewijs verankeren. De dakpannen hebben in een dakzone onvoldoende gewicht om de berekende stuwdruk te weerstaan. Hierbij wordt 1 op de 2 dakpannen verankerd met een panhaak, op zo’n manier dat het verankeringspatroon overeenkomt met een dambord. Een uitzondering hierop is als het dekpatroon van de dakpannen in een halfsteensverband wordt uitgevoerd (zie de twee illustraties hiernaast): hierbij worden de dakpannen in diagonale lijnen over het dakvlak dambordsgewijs verankerd. Als de stuwdruk voor een dakzone zo hoog is dat een dambordsgewijze verankering onvoldoende is, moet de dakzone volledig verankerd worden. Hierbij moet iedere dakpan in de dakzone met een panhaak worden verankerd. Als de stuwdruk voor een dakzone zo hoog is dat volledig verankeren onvoldoende is, dan moet de zwaarste standaard verankeringswijze, volledig verankeren en schroeven, toegepast worden. Iedere dakpan moet in de betreffende dakzone met een panhaak en één of twee RVS torxschroeven & neopreen-volgring in de kopsluiting worden verankerd.

De uitkomst van een verankeringsberekening betekent niet dat er nooit meer stormschade kan optreden, er kunnen zich situaties voordoen die de normen overschrijden, denk aan situering, ontwerp en detaillering. Plaatselijke bekendheid en deskundigheid van de verwerker zijn noodzakelijk om te kunnen bepalen of er extra maatregelen nodig zijn. Een garantie tegen afwaaien kan helaas nooit gegeven worden.

Terug naar Verankering en Berekening